Mishandeling en bedreiging minderjarige met een mes. Geslaagd beroep op noodweer m.b.t. mishandeling. Beroep op noodweer verworpen m.b.t. bedreiging.
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummer: 10/651015-20
Proces-verbaal van de terechtzitting met gesloten deuren van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam op 20 april 2021.
Tegenwoordig als:
kinderrechter mr. L. Amperse,
officier van justitie mr. H. du Croix,
griffier R. van der Wal.
De zaak tegen na te noemen verdachte wordt uitgeroepen.
De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de kinderrechter te zijn genaamd:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] ,
feitelijk verblijvende op datzelfde adres.
De kinderrechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.
Als raadsvrouw van de verdachte is aanwezig mr. D.S. Lösing, advocaat te Rotterdam.
Tevens is ter terechtzitting aanwezig de moeder van verdachte.
Tevens is ter terechtzitting aanwezig [naam 1] werkzaam bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond.
In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen steeds zakelijk weergegeven.
De kinderrechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede, dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
De kinderrechter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door de kinderrechter te nemen beslissing. Ook worden de camerabeelden van het incident bekeken die zich in het dossier bevinden.
De verdachte verklaart:
Een dag eerder is een woordenwisseling ontstaan tussen aangever en mij bij de metro. Ik was best wel bang en heb toen iets doms gedaan. Ik ben naar een jongen gegaan en heb hem om een mes gevraagd. Hij heeft mij dat gegeven. De dag daarna was ik met drie andere vrienden. Ik liep langs aangever heen naar mijn vrienden toe en gaf hun een boks. Aangever gaf mij toen een duw en een paar klappen. Ik probeerde terug te slaan, maar ik sloeg mis. Vervolgens kreeg ik nog meer klappen. Een vriend van mij, [naam 2] , probeerde ons uit elkaar te houden, maar hij kreeg ook klappen en schoppen. Hij werd gevloerd, op zijn gezicht getrapt en kreeg kopstoten. Er was veel adrenaline. Ik heb toen het mes gepakt. Het was een klein mes en zat in mijn zak. Ik maakte domme bewegingen met het mes. Aangever stond boven [naam 2] en ik wilde dat hij wegging. Het klopt dat er uit de beelden blijkt dat er die dag twee confrontatiemomenten waren. Ik kwam [naam 2] te hulp tijdens het eerste confrontatiemoment. Het klopt dat er later, als aangever naar achter loopt en wij in gesprek zijn, nog een confrontatie ontstaat. U houdt mij voor dat uit de beelden blijkt dat wij op dat moment in discussie waren, dat mensen de ruzie proberen te sussen en dat ik dan sta te zwaaien met een mes. Ik was bang. Ik zat vol adrenaline. Ik ben heel dom geweest, überhaupt omdat ik een mes heb gevraagd. Het klopt dat ik die dag geen medicatie had ingenomen omdat ik het was vergeten. Ik ben dan sneller boos te maken en sneller opgefokt. U houdt mij het letsel van aangever voor en de schade aan zijn jas. Het was niet mijn intentie om aangever te steken. Ik had op dat moment ook niet het idee dat ik hem had geraakt.
De verdachte verklaart op vragen van de kinderrechter ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden:
Het klopt dat het goed met me gaat en dat ik drie dagen op het bureau moest verblijven. Daarna ben ik geschorst. Ik had niet heel veel last van het toezicht. Het gaat goed met mijn school. Ik wil later maatschappelijk werker worden en met jongeren werken.
De medewerker van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verklaart op vragen van de kinderrechter:
Het verhaal dat hij vandaag ter zitting heeft verteld, heeft hij ook tegen mij verteld. Wij zien veel beschermende factoren. Het gaat goed op school. Hij heeft een duidelijk plan voor ogen. Hij heeft een bijbaan. Hij woont bij moeder en zij heeft best wat pedagogische vaardigheden. Het contact met ouders is goed. Hij wordt inmiddels wel verdacht van nog een ander feit. Ons advies is om een leerstraf op te leggen, eventueel aangevuld met een werkstraf, maar daaraan geen jeugdreclassering te koppelen.
De moeder van verdachte verklaart op vragen van de kinderrechter:
Ik ben erg geschrokken van wat er gebeurd is. Het moet zelfbescherming zijn, want mijn kind werd aangevallen. Ik keur het af dat hij met een mes komt om hem te weren. Wij hebben ook aangifte gedaan. We hebben er veel met elkaar over gesproken.
De kinderrechter gaat over tot bespreking van de vordering van de benadeelde partij.
De verdachte verklaart in reactie op de vordering van de benadeelde partij:
Ik kan het wel begrijpen, maar u ziet ook hoe hij mij slaat. Ik was echt bang. Ik vind het niet terecht dat hij geld vraagt. Hij heeft ook een foto geplaatst op Instagram met daarbij de tekst dat ik het niet aan kon om met vuisten te vechten en daarom een mes gebruikte, en dat hij mij vervolgens knock-out zou hebben geslagen. Ik heb hier een screenshot van gemaakt. Dit zit in het dossier.
De officier van justitie houdt haar requisitoir. Ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde feit vordert de officier van justitie vrijspraak. Zij vordert dat de verdachte ter zake van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot:
Een taakstraf bestaande uit een leerstraf (Tools4U Regulier) voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van 6 uren voor de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangever.
De officier legt de vordering over.
De officier van justitie merkt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij op:
De jas en het vest zijn kapot gegaan en moeten worden vergoed. De vordering is onderbouwd met bonnetjes. Ik vorder toewijzing van een bedrag van € 216,15 aan materiële schade. Het immateriële deel dient wat mij betreft te worden gematigd tot een bedrag van € 300,00. Totaal komt dit uit op een bedrag van € 561,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2020 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. Zij voert aan:
Het begint met aangever die cliënt wil aanspreken op zijn gedrag. Cliënt vond dat niet fijn en werd boos. Aangever is er toen op los gaan slaan. Ik hoorde de officier van justitie zeggen dat het gaat om een stoot, maar het was echt wel meer dan dat, dat ziet u ook op de beelden. Aangever doet alsof hij de onschuld zelve is. Een vriend van cliënt komt ertussen en komt voor hem op. Die vriend wordt ook meerdere keren geslagen, valt op de grond en krijgt van aangever gewoon een trap op zijn hoofd. Dat vergeet aangever te vertellen. Cliënt is ertussen gesprongen met een mes. Alleen om aangever weg te krijgen. Hij had een mes in zijn handen, dat is niet goed, maar hij probeert aangever weg te jagen van zijn beste vriend. De officier van justitie zegt dat het niet proportioneel en subsidiair was, maar zelfs met z’n tweeën konden ze deze grote sterke jongen niet aan. Aangever is een bokser en kan best hard slaan. Ik zag zelf dat er kopstoten voorbijkwamen. Cliënt heeft zijn vriend verdedigd. Het is een noodweersituatie. Hij kon niet anders. Hij wilde dat het beest wegging bij zijn vriend. Ik hoor de officier van justitie zeggen dat aangever reageerde op het mes en daardoor opgefokt werd, maar ik denk dat dat de omgekeerde wereld is. Aangever viel cliënt en zijn vriend aan en daarna kwam pas het mes in beeld. Gelukkig kwam de vriend omhoog. Vol adrenaline blijven de jongens elkaar opzoeken. Cliënt wil zijn vriend blijven verdedigen. Zoals u ook op de beelden heeft gezien, mevrouw de kinderrechter, bestond de confrontatie tussen de verdachte en aangever op 10 januari 2020 uit twee momenten. De eerste keer is de steekbeweging in mijn optiek noodweer en hoogst vermoedelijk ook het moment dat cliënt de aangever heeft geraakt. Dat zegt aangever zelf ook. Cliënt heeft niet de intentie gehad om hem te raken. Ik meen dat de situatie valt onder noodweer. Het valt niet goed te praten dat cliënt een mes bij zich had en dat keurt iedereen ook af. Cliënt had wel aanleiding om heel erg bang te zijn aangezien er al een situatie heeft plaatsgevonden twee dagen daarvoor. Ook het tweede moment wist cliënt niet wat hem overkwam, het is volledig uit de hand gelopen. Aangever is echt de aanstichter. Het tweede feit is, ter verduidelijking, noodweerexces.
Ik verzoek u cliënt voor beide feiten te ontslaan van alle rechtsvervolging. Derhalve hoeven de persoonlijke omstandigheden en een passende straf niet ter discussie te worden gesteld. Desalniettemin, hij heeft een jaar toezicht gehad. School gaat goed en cliënt heeft een blanco strafblad. Als een leerstraf zou worden opgelegd, vind ik dat teveel rekening wordt gehouden met feit dat vandaag niet wordt behandeld en waarvoor cliënt bij separate dagvaarding (onder parketnummer 09-089034-21) is gedagvaard. Wij willen in die zaak nog onderzoek. Mocht er aanleiding bestaan voor een leerstraf, dan kan dat in die zaak worden opgelegd.
Wat betreft de vordering van de benadeelde partij wil ik benadrukken dat het voor cliënt verkeerd voelt dat hij zou moeten betalen of vergoeden voor wat daar is gebeurd. Cliënt gelooft niet dat aangever een inbreuk op de lichamelijke integriteit heeft gevoeld gezien zijn bericht op social media.
Cliënt en aangever fietsen nog regelmatig langs elkaar heen. Er lijkt dan niets aan de hand. Een contactverbod is derhalve niet nodig.
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij deelt mede:
Mocht u noodweer aan de orde vinden, blijf ik erbij dat hij ervoor heeft gekozen om een mes mee te nemen en dit mes ook in een boze bui heeft gebruikt. Dat is niet proportioneel. Met een mes kunnen hele vervelende dingen gebeuren en het slachtoffer is geraakt. Op z’n minst is er sprake van voorwaardelijk opzet in die opwinding die er was. We zien op de camerabeelden dat hij meerdere keren de confrontatie opzoekt met het mes. Hij distantieert zich niet. Hij was ook erg boos op het slachtoffer. In die boosheid en met het mes is hij weer op de aangever afgegaan. Ik kom niet tot noodweer.
De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld te dupliceren. Zij deelt mede:
Ik maak een hele duidelijke splitsing in de feiten. Ik hoor niet dat de officier van justitie hetzelfde doet. Vandaar dat ik aan noodweer kom.
De verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart:
Het was echt dom van me om zoiets mee te nemen en die beweging te maken. De officier van justitie zegt dat de aangever bang was om naar buiten te komen. U kunt op de camerabeelden zien dat hij ‘kom’ roept. Hij is niet echt iemand die bang is.
De kinderrechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.
De kinderrechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
A a n t e k e n i n g van het m o n d e l i n g v o n n i s
--------------------------------------------------------------------
Inhoud van de tenlastelegging
Bij de dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegde dat
1.
hij op of omstreeks 10 januari 2020 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal,
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van voornoemde [naam aangever] heeft gestoken en/of heeft gesneden en/of
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen in de richting van het lichaam van voomoemde [naam aangever] heeft gemaakt, waarbij de jas en/of het vest, althans de kleding, van voornoemde [naam aangever] is/zijn geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 januari 2020 te Rotterdam,
[naam aangever] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van voornoemde [naam aangever] te steken en/of te snijden; hij op of omstreeks 10 januari 2020 te Rotterdam,
2.
hij op of omstreeks 10 januari 2020 te Rotterdam,
[naam aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen aan voornoemde [naam aangever] en/of (vervolgens) voomoemd mes, althans scherp en/of puntig voorwerp, te richten op het hoofd en/of op het lichaam van voornoemde [naam aangever] en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van voornoemde [naam aangever] ;
Vrijspraak feit 1 primair
Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen en voor bewijs redengevende feiten en omstandigheden
1.
De verklaring van verdachte op de terechtzitting op 20 april 2021, voor zover inhoudende:
Ik heb toen het mes gepakt. Ik maakte domme bewegingen met het mes.
2.
Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [naam aangever] , nummer [procesverbaalnummer 1] , opgemaakt en op 10 januari 2020 ondertekend door aangever en de opsporingsambtenaar [naam agent 1] , voor zover inhoudende:
Vandaag 10 januari 2020 stond ik bij een [naam superkmarkt] . Dit is aan de [adres] . De jongen in de groene jas zei iets tegen mij. Hij werd eigenlijk meteen een beetje boos. Ik pakte hem beet bij zijn kraag. Ik heb een harde stoot op zijn gezicht gegeven. Ik kon mijzelf niet inhouden en heb hem vaker achter elkaar geslagen. De jongen die er als tweede bij was gekomen kwam heel boos naar mij toe lopen met de intentie om mij te slaan. Ik zag dat hij mij wilde slaan en toen heb ik hem ontweken. Ik heb hem daarna gelijk een paar keer geslagen. Hij viel op de grond en toen heb ik hem nog een trap gegeven. Ik zag dat de jongen met groene jas weer naar mij toe kwam. Volgens mij zag ik toen al 2 scheuren in mijn jas zitten. De scheuren zaten aan mijn linker zij. Ik zag hem aankomen lopen met een mes. Vervolgens maakte de jongen met de groene jas een stekende beweging in mijn richting. Ik kon deze beweging ontwijken. De jongen in de zwarte jas kwam er weer bij staan. Hij wilde gelijk weer vechten. Volgens mij heb ik hem nog twee keer geslagen omdat hij een grote mond had.
Toen het klaar was kwamen heel veel vrienden naar mij toe. Ze hebben mijn kleding uit gedaan om te kijken of ik gewond was maar dit was niet zo.
Mijn Adidas vest is beschadigd ter hoogte van mijn lever. Eigenlijk op dezelfde plek als mijn jas.
3.
Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [procesverbaalnummer 2] , opgemaakt en op 14 januari 2020 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam agent 1] , voor zover inhoudende:
Aangever en tevens slachtoffer [naam aangever] vertelde dat hij toch een wondje op zijn lichaam had gevonden wat ontstaan was door het steekincident. [naam aangever] vertelde dat hij foto’s had gemaakt van het letsel.
Hierop deed ik aan [naam aangever] het verzoek deze afbeeldingen naar mij te sturen. Ik zag op de afbeeldingen dat [naam aangever] aan de linkerkant van zijn torso ter hoogte van de maag een klein krasje had zitten. Ik zag dat het krasje ongeveer 1 centimeter groot was en rood van kleur was.
Afzonderlijk aan dit proces-verbaal zijn twee afbeeldingen bijgevoegd van het letsel.
4.
Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [procesverbaalnummer 3] , opgemaakt en op 12 januari 2020 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam agent 2] , voor zover inhoudende:
Op vrijdag 10 januari 2020 heeft er op de [adres] te [plaatsnaam] een vechtpartij plaatsgevonden waarbij ook gestoken zou zijn met een mes. Door aangever [naam aangever] werd hiervan aangifte gedaan. Het incident bleek deels te zijn gefilmd door een camera van Cameratoezicht. Ik, verbalisant [naam agent 2] , heb deze camerabeelden bekeken en daarvan het volgende bevonden.
Ik zag dat [naam 3] gekleed was in een groene jas, een zwarte broek en zwarte schoenen, zie foto 3.
Ik zag dat [naam 3] met zijn rechterarm op heuphoogte een felle beweging naar voren maakte in de richting van [naam aangever] , die achter de lantaarnpaal staat, zie foto 9. De felle beweging kwam op mij over als een stekende beweging.
Ik zag dat [naam 3] na deze felle beweging naar achteren stapte waardoor te zien was dat hij een voorwerp in zijn rechterhand vasthad, zie foto 10.
Ik zag dat [naam 3] in zijn rechterhand een voorwerp vasthad wat zilver van kleur was, zie foto 14.
Ik zag dat [naam 3] weer een felle beweging met zijn rechterarm naar voren richting [naam aangever] maakte.
5.
Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [procesverbaalnummer 4] , opgemaakt en op 13 januari 2020 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam agent 3] , voor zover inhoudende:
Op 13 januari 2020 werd van [naam superkmarkt] , gevestigd aan de [adres] te [plaatsnaam] middels een schriftelijk vordering de camerabeelden gevorderd. Na ontvangst van de camerabeelden heb ik, verbalisant de camerabeelden uit gekeken.
De verdachte is herkenbaar aan zijn groen met zwarte jas en zijn rugtas.
Wel is te zien dat de verdachte een stekende beweging maakt met zijn rechterarm en dat hij daarmee een zwaaiende beweging naar aangever maakt die achteruit stapt om niet te worden geraakt.
De verdachte heeft een mes in zijn hand en richt dit van dichtbij op de aangever.
De verdachte richt het mes op het hoofd van de aangever.
De aangever weert het mes van de verdachte met zijn rechterhand af.
Aangever staat tegenover verdachte met de groene jas. De verdachte heeft een mes in zijn rechterhand.
Verdachte wijst met het mes.
Vervolgens loopt de verdachte met nog steeds het mes in zijn handen weer op de aangever af.
Verdachte maakt met een mes in zijn hand een zwaaide beweging richting de aangever.
De aangever trekt zij lichaam naar achteren uit om te voorkomen dat hij met het mes wordt geraakt.
6.
Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer [procesverbaalnummer 5] , opgemaakt en op 10 januari 2020 ondertekend door de opsporingsambtenaar [naam agent 4] , voor zover inhoudende:
Ik, verbalisant, stelde een onderzoek in om de identiteit te achterhalen van de verdachten van het steekincident aan de [adres] . Er waren beelden beschikbaar van een beveiligingscamera van Cameratoezicht. Deze beelden had ik op mijn van dienstwegen verstrekte mobiele telefoon geladen om aan personeel van diverse scholen in de omgeving te kunnen tonen voor een mogelijke herkenning. Hierbij bezocht ik onder andere [naam school] . Ik sprak hier een medewerker. Ik liet hem de beelden zien van de door de eerder genoemde beveiligingscamera gemaakte opnames. Hij vertelde mij dat de jongens op de beelden leerlingen zijn van genoemde locatie van [naam school] . Hierbij noemde hij de namen van [naam 2] en [naam verdachte] , waarbij [naam 2] degene is die op de grond terecht komt en [naam verdachte] degene die de stekende bewegingen maakt.
[naam verdachte] is volledig genaamd:
[naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte].
De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen, voor zover redengevend voor het bewijs, leverende op de redengevende feiten en omstandigheden voor die bewezenverklaring.
De kinderrechter leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte op 10 januari 2021 kort na elkaar twee confrontaties met aangever heeft gehad.
Tijdens de eerste confrontatie heeft de verdachte het mes dat hij bij zich droeg gepakt en daar stekende bewegingen in de richting van aangever mee gemaakt. De kinderrechter gaat er gelet op de bij aangever geconstateerde verwonding, de beschadiging van diens kleding en de verklaring van aangever – die heeft verklaard dat hij na de eerste confrontatie al scheuren in zijn jas zag zitten – van uit dat aangever op dát moment (dus tijdens de eerste confrontatie met de verdachte) door het mes is geraakt en dat het bij hem geconstateerde letsel op dat moment is veroorzaakt. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangever.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte nadien tijdens een tweede confrontatie met aangever een mes voor zich hield en daarmee stekende bewegingen in de richting van aangever maakte, welke de aangever blijkens zijn verklaring heeft kunnen ontwijken. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van aangever.
Bewezenverklaring
Hiervoor heeft de kinderrechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat
1.
hij op 10 januari 2020 te Rotterdam,
[naam aangever] heeft mishandeld door eenmaal met een mes in het lichaam van voornoemde [naam aangever] te steken;
2.
hij op 10 januari 2020 te Rotterdam,
[naam aangever] heeft bedreigd met zware mishandeling, door
- een mes te tonen aan voornoemde [naam aangever] en vervolgens voomoemd mes te richten op het hoofd en op het lichaam van voornoemde [naam aangever] en
- meerdere malen met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van voornoemde [naam aangever] ;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
Kwalificaties
De bewezen feiten leveren op:
T.a.v. feit 1 subsidiair: Mishandeling
T.a.v. feit 2: Bedreiging met zware mishandeling
Strafbaarheid feiten
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt. Daartoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft bepleit dat ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 geen sprake is van noodweer, dan wel noodweerexces, nu het handelen van de verdachte proportioneel noch subsidiair was.
Beoordeling
Uit de camerabeelden die zich in het dossier bevinden blijkt dat de verdachte op 10 januari 2020 uit het niets werd aangevallen door aangever. Dit betrof een forse aanval waarbij de verdachte meermaals hard in het gezicht werd geslagen door aangever, die bovendien een stuk groter was dan de verdachte. Een vriend van de verdachte ( [naam 2] ) probeerde de verdachte te helpen, werd vervolgens door aangever belaagd en belandde op de grond, waarna hij door aangever in het gezicht werd getrapt. De gedragingen van aangever kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zowel de verdachte als van diens vriend [naam 2] , waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte, die een stuk kleiner was dan aangever en heeft verklaard dat hij en [naam 2] aangever met z’n tweeën niet aan konden, heeft op dat moment het mes dat hij bij zich droeg gepakt en daar stekende bewegingen in de richting van aangever mee gemaakt en aangever daarbij met het mes geraakt. Naar het oordeel van de kinderrechter was deze verdediging door de verdachte tijdens deze eerste confrontatie met aangever, hoe dom het wellicht ook was dat de verdachte een mes bij zich droeg, noodzakelijk en proportioneel. De verdachte had op dat moment, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, weinig andere mogelijkheden dan zich te verweren met het mes dat hij bij zich droeg. Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, kon en mocht op dat moment ook niet van hem worden verwacht dat hij zich aan de aanranding door de aangever onttrok. Aan de verdachte komt terzake van feit 1 dan ook een beroep op noodweer toe zodat hij ten aanzien van dat feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Dat geldt echter niet voor feit 2. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte en zijn vriend [naam 2] na de eerste confrontatie met aangever in discussie waren, waarbij omstanders de ruzie probeerden te sussen en waarbij aangever naar achteren liep. De verdachte en [naam 2] bleven blijkens de beelden de (fysieke) confrontatie opzoeken met aangever, waarbij de verdachte op enig moment zijn mes voor zich hield en opnieuw stekende bewegingen maakte in de richting van aangever (de tweede confrontatie). Door op dat moment zelf de confrontatie te blijven opzoeken en niet weg te gaan, komt de verdachte terzake van de door hem op dat moment (dus tijdens de tweede confrontatie) geuite bedreigingen geen beroep meer toe op noodweer of noodweerexces. Het verweer wordt ten aanzien van dit feit verworpen.
Toegepaste wetsartikelen
Artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Strafoplegging
Ten aanzien van feit 2:
Taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 6 (ZES) uren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient uit te maken uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan,
met bevel, dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 0 (NUL) uren te verrichten werkstraf resteert.
Taakstraf, bestaande uit een leerstraf, voor de duur van 20 (TWINTIG) uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject Tools4U Regulier van de Raad voor de Kinderbescherming,
met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen.
Motivering strafoplegging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De medewerker van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond is positief over de verdachte, maar ziet nog wel zorgen. Derhalve adviseert zij de oplegging van de leerstraf Tools4U Regulier. Ook de verdachte zelf geeft aan dat hij baat zou hebben bij deze leerstraf. De kinderrechter zal meegaan in het advies en de leerstraf opleggen. Een te verrichten werkstraf, een geheel of deels voorwaardelijke werkstraf of een contactverbod acht de kinderrechter niet passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
Het bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde, dat bij eerdere beslissing is geschorst, wordt opgeheven.
Motivering beslissing op vordering benadeelde partij
De benadeelde partij heeft als vergoeding van materiële schade en immateriële schade bedragen van respectievelijk € 261,15 en € 1.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente.
Nu de verdachte ter zake van feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, en niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 bewezen verklaarde feit, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
Beslissing op vordering benadeelde partij
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij wordt veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt. Deze kosten worden begroot op € NIHIL.
_________________________________________________________________________
De kinderrechter geeft aan de verdachte kennis dat hij binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht om op de terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.
Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de kinderrechter en de griffier.