Verweerder heeft aan eiser een boete opgelegd omdat hij heeft nagelaten het kadaver van een lam te melden bij Rendac en dit kadaver in een container voor groenafval aan de gemeentereiniging heeft aangeboden. Verweerder was bevoegd om eiser de boete op te leggen, maar de hoogte van de boete is met 10% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden.
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/2786
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. M.M. de Vries.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 1.250,-, omdat eiser volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
Bij besluit van 25 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en zijn verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In het rapport van bevindingen van 15 mei 2018 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gerapporteerd dat hij op 1 mei 2018 om 8:13 uur werd gebeld door [naam 1] , medewerker van de reinigingsdienst van de gemeente Súdwest-Fryslân. De toezichthouder heeft om 8:42 uur teruggebeld en [naam 1] heeft aan de toezichthouder medegedeeld dat op een adres aan de [adres] een kadaver van een lam in een huisvuilcontainer was aangeboden. Een chauffeur had tijdens het legen van een huisvuilcontainer gezien dat er onderin die container een kadaver van een lam zat.
De toezichthouder heeft op 4 mei 2018 omstreeks 11:45 uur [naam 2] , vrachtwagenchauffeur reinigingsdienst gemeente Súdwest-Fryslân, als getuige gehoord. [naam 2] heeft de volgende verklaring afgelegd:
“Afgelopen dinsdag 1 mei omstreeks 8 uur reed ik de route van [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2] , dat is de [straatnaam] , om groenafval te laden. Toen ik de enige container bij de [adres] in de vrachtwagen leegde zag ik op de camera dat er eerst groenafval uit kwam en toen zag ik dat er een dood lam uit kwam. Toen heb ik met kantoor gebeld wat ik ermee moest. Toen ik op advies van kantoor een foto van de adressticker zou maken kwam er een manspersoon aan van ongeveer begin 30 die direct de container ophaalde voordat ik een foto kon maken. Hij vroeg me: “wat is eraan?”. Toen ik hem vertelde wat ik had gezien schrok hij nogal wat. Waarschijnlijk had hij niet gedacht dat ik het gezien had. Hij vertelde mij toen dat hij kadavers normaliter naar de Rendac afvoerde, maar dat hij dit lam voor de kinderen had verstopt onderin de container. Hij wilde het kadaver zelf wel weer uit de vrachtwagen halen met een ladder, maar dat heb ik niet toegestaan in verband met de veiligheid.”
De toezichthouder heeft op 4 mei 2018 omstreeks 12:40 uur [naam 3] , administratief medewerkster reinigingsdienst gemeente Súdwest-Fryslân, als getuige gehoord. [naam 3] heeft de volgende verklaring afgelegd:
“Ik ben afgelopen dinsdag 1 mei ’s morgens om 9:39 uur gebeld door een persoon die zich bekend maakte als [naam eiser] . Hij wilde zijn excuses aanbieden, hij had het schaamrood op de wangen zei hij. Hij vertelde het verhaal van het dode lam in de container. Hij had het daarin neergelegd omdat er kinderen kwamen spelen die het dode dier niet mochten zien. Hij zei dat het zo niet had gemoeten. Hij wilde ook wel naar Sneek komen. Ik heb toen overlegd met collega’s en daarna [naam eiser] medegedeeld dat wij het hadden doorgegeven aan de NVWA en dat die wel contact zouden opnemen.”
Op basis van dit onderzoek heeft de toezichthouder vastgesteld dat aangewezen dierlijke bijproducten, namelijk één kadaver van een schaap (lam), aan de voorgeschreven aangifte en overdracht was onttrokken door dit in een huisvuilcontainer voor groenafval ter ophaling aan te bieden bij de gemeente Súdwest-Fryslân. Hiermee is volgens de toezichthouder gehandeld in strijd met artikel 3.22, eerste en derde lid, van de Regeling dierlijke producten, hetgeen een overtreding is van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren. De toezichthouder heeft daarom een rapport van bevindingen opgemaakt.
De toezichthouder heeft op 4 mei 2018 omstreeks 14:03 uur eiser gehoord en hem van de bevindingen op de hoogte gebracht. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat er een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Nadat de toezichthouder aan eiser had gezegd dat hij niet tot antwoorden verplicht was, heeft eiser de volgende verklaring afgelegd:
“Ik heb ook al gemaild naar de NVWA, nadat ik telefonisch contact had gehad. Ik stuur u die e-mail door. Het dode lam was 10 maart 2018 geboren. De moeder was overleden. We hebben geprobeerd de 2 lammeren met de fles groot te brengen, maar eentje heeft het helaas niet gered. Ongeveer een week geleden is het lam overleden. Onze eigen kinderen zijn er wel aan gewend om dode dieren te zien, maar toen er vriendjes kwamen spelen heb ik het lam even in de container gelegd. De chauffeur bleef na het laden van de container staan en toen schoot het me te binnen dat het lam erin lag. Er kunnen een paar takjes onderin gelegen hebben. Ik heb er geen groenafval bovenop gegooid, misschien mijn schoonvader. Ik vind het jammer dat de situatie zo gelopen is. Het kost me € 21,- om het lam af te voeren. Normaliter voer ik dode schapen en geiten af naar de Rendac. We proberen het goed voor elkaar te hebben. De gemeente was hier om 8:20 uur en ik heb toen zelf ook nog gebeld met de gemeente omstreeks 9 uur om het op te lossen en excuses aan te bieden en ik heb de chauffeur ter plaatse nog aangeboden om het lam uit de vrachtwagen (te halen), zodat ik het zelf af kon voeren naar Rendac.”
2. Op basis van dit rapport van bevindingen heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 1.250,- voor het volgende beboetbare feit: de houder van aangewezen dierlijke bijproducten (een kadaver van een lam) gaf dit materiaal niet aan bij, hield het niet ter beschikking van en stond het niet af aan de ondernemer binnen wiens werkgebied het materiaal zich bevindt. Een kadaver werd bewust aan de voorgeschreven aangifte en overdracht, met het oog op verwerking onttrokken. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren. Verweerder heeft het boetebedrag voor deze overtreding op grond van artikel 2.4 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren gehalveerd omdat eiser bij het begaan van de overtreding niet in het kader van een beroep of bedrijf heeft gehandeld, maar als particulier.
In het bestreden besluit heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd.
3. Eiser heeft aangevoerd dat het rapport van bevindingen onvolledig is.
Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 10 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:147), mag een bestuursorgaan in beginsel afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen. Indien die bevindingen gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
De enkele stelling dat het rapport van bevindingen onvolledig is, is onvoldoende voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de inhoud van het rapport. Voor zover eiser zijn gronden van bezwaar op dit punt in beroep handhaaft, is verweerder in het bestreden besluit daar gemotiveerd op ingegaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder het bestreden besluit op dit punt ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser heeft niet ontkend dat hij het kadaver niet bij Rendac Son B.V. heeft gemeld en dat hij in plaats daarvan het kadaver in een container voor groenafval heeft aangeboden aan de gemeentereiniging. In de gronden van bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat uit het rapport van bevindingen niet blijkt op grond waarvan de toezichthouder heeft vastgesteld dat het kadaver in redelijke staat van ontbinding verkeerde en in het rapport is ook niets is vermeld over verwondingen of de voedingstoestand van het kadaver. Evenmin is iets vermeld over de voedingstoestand, de gezondheidstoestand en de verblijven van de aanwezige (levende) dieren, aldus eiser. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor het feit dat aan eiser is tegengeworpen.
4. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte heeft verweten dat het feit bewust is gepleegd. Eiser heeft gesteld dat daarvoor geen bewijs is. Het feit is per ongeluk gebeurd en eiser heeft alle partijen daarvoor zijn excuses aangeboden, aldus eiser.
Verweerder heeft aan eiser als houder van dierlijke bijproducten verweten dat hij dit materiaal (het kadaver van het lam) niet heeft aangegeven bij de ondernemer binnen wiens werkgebied het materiaal zich bevindt. Dit is een overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren. Uit deze bepaling volgt niet dat er sprake moet zijn van opzet. Dit betekent dat voor het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het overtreden van die bepaling niet van belang is of eiser de overtreding al dan niet met opzet heeft begaan.
Uit regel 11 van het Specifiek Interventiebeleid IB02-SPEC33, versie 2, geldend van 20 juli 2015 tot 17 augustus 2020, volgt dat het bewust onttrekken (door begraving of verbranding ter plaatse verwijderd, of bewust achtergelaten op het perceel – sterke ontbinding) van kadavers (categorie 1- en 2-materiaal) aan voorgeschreven aangifte of overdracht een overtreding is in de klasse B waarvoor de volgende interventies kunnen worden toegepast: rapport van bevindingen, corrigerende interventie (alsnog voorgeschreven verwerking), naleefhulp. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder conform dit interventiebeleid een rapport van bevindingen opgemaakt en aan eiser een boete opgelegd. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat aan eiser een boete is opgelegd, omdat er geen corrigerende interventie mogelijk is gezien het feit dat het kadaver reeds in de vuilniswagen lag en om veiligheidsredenen niet uit de vuilniswagen kon worden gehaald om het alsnog aan Rendac Son B.V. aan te bieden. Eisers stelling dat hij heeft getracht zijn fout te herstellen, maar daarvoor geen gelegenheid kreeg, en hij aan alle partijen zijn excuses heeft aangeboden, kan hem daarom niet baten en laat onverlet dat de overtreding reeds was geschied. Dat eiser naar eigen zeggen de overtreding niet bewust heeft begaan, omdat hij was vergeten dat het kadaver nog in de container voor groenafval lag toen hij deze container langs de weg zette, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals verweerder in het bestreden besluit (pagina 5) heeft toegelicht heeft eiser het kadaver begrijpelijkerwijs aan het zicht van de kinderen willen onttrekken, maar eiser heeft nagelaten om het kadaver bij Rendac Son B.V. aan te melden en in plaats daarvan het kadaver in een container voor groenafval gedeponeerd en deze container aan de weg gezet. Hieruit heeft verweerder op goede gronden mogen afleiden dat eiser bewust heeft gehandeld, ook al is voor de vaststelling van een overtreding van artikel 3.4, eerste lid van de Wet dieren geen opzet vereist.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser niet heeft voldaan aan artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren. Verweerder was daarom bevoegd om eiser voor deze overtreding een boete op te leggen.
6. Over de hoogte van de boete heeft eiser aangevoerd dat de boete van € 1.250,- niet in verhouding staat tot andere misdrijven en dat de gezondheidsrisico’s gering zijn, zodat het boetebedrag nogmaals kan worden gehalveerd. Ook is halvering van de opgelegde boete gerechtvaardigd, gelet op zwaarwegende omstandigheden aan de zijde van eiser, waaronder het voorval heeft plaatsgevonden, aldus eiser.
De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de bestuurlijke boete die mag worden opgelegd wegens de in geding zijnde overtreding op grond van artikel 8.8 van de Wet dieren wettelijk is vastgelegd in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. De wetgever heeft daarbij reeds een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. De stelling van eiser dat de hem opgelegde boete niet in verhouding staat tot andere misdrijven treft daarom geen doel.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder met betrekking tot de in geding zijnde boete een onjuiste toepassing heeft gegeven aan hetgeen in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en in de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is bepaald over de hoogte van de boete. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren onder Wet dieren wordt een overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren aangemerkt als een overtreding van de derde categorie. Voor deze categorie geldt een boetebedrag van € 2.500,-. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.4 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren het boetebedrag gehalveerd tot € 1.250,-, omdat eiser de overtreding als particulier heeft begaan. De hoogte van de boete als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien het boetebedrag met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verder te halveren in verband met geringe of ontbrekende risico’s of gevolgen van de overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu. Zoals verweerder in het primaire besluit heeft toegelicht zijn dode dieren een potentiële bron van risico voor de volks- en diergezondheid. Hiermee heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat er van een gering of ontbrekend risico voor de volks- of diergezondheid geen sprake is. De enkele stelling van eiser dat de gezondheidsrisico’s gering zijn, is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Dat het voorval onder zwaarwegende familieomstandigheden heeft plaatsgevonden, zoals eiser heeft gesteld, vormt evenmin reden om het boetebedrag te halveren. Voor zover eiser hiermee doelt op zijn persoonlijke omstandigheden die hij in zijn zienswijze en in zijn bezwaarschrift heeft geschetst, heeft verweerder in het verweerschrift terecht opgemerkt dat desondanks van eiser de zeer geringe inspanning mocht worden verwacht die hij had moeten leveren, namelijk het kadaver aanmelden bij Rendac. Eiser was ook bekend met de wijze waarop kadavers moeten worden aangemeld omdat hij reeds eerder kadavers heeft aangemeld.
In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding geven om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een lagere boete op te leggen.
7. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.
Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) overweegt de rechtbank dat eiser zijn beroep op overschrijding van de redelijke termijn tijdig, namelijk vóór de sluiting van het onderzoek door de rechtbank, heeft ingediend, zodat de rechtbank daarover een oordeel zal geven.
Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:252, ECLI:NL:RVS:2016:1261 en ECLI:NL:CBB:2017:32) geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen door de rechtbank uitspraak wordt gedaan. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd voor zover deze de duur van een jaar overschrijdt en hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiser de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, met een maximum van in het algemeen € 2.500,-.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 13 november 2018, de datum waarop verweerder het voornemen tot boeteoplegging heeft uitgebracht. Verweerder heeft op 25 april 2019, binnen een jaar na aanvang van de redelijke termijn op het bezwaar beslist. De rechtbank had uiterlijk op 4 juni 2020 (een jaar na het instellen van het beroep) uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechterlijke fase in eerste aanleg ongeveer zeven maanden te lang heeft geduurd. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de boete te matigen met 10% tot een bedrag van € 1.125,-.
8. Omdat het boetebedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verlaagd, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het beroep is gegrond.
9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht en een deel van zijn proceskosten worden vergoed. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2016:252 en ECLI:NL:CBB:2019:209 zal de rechtbank verweerder en/of de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen deze bedragen te vergoeden al naar gelang de mate waarin de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerder dan wel aan de rechtbank valt toe te rekenen. In dit geval is de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank toe te rekenen, zodat de te vergoeden kosten door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) dienen te worden gedragen.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen uitsluitend de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking. Nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van een professionele externe rechtsbijstandverlener, zijn er geen kosten die op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.
Eiser heeft op het formulier proceskosten verzocht om vergoeding van de reiskosten ad € 106,40. Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 komen de reiskosten in aanmerking voor vergoeding volgens een tarief, waarvan de hoogte gelijk is aan een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 106,40 voor een retour [plaatsnaam 2] -Rotterdam.
Daarnaast heeft eiser op het formulier proceskosten verzocht om vergoeding van de verletkosten van € 207,20. Over de verletkosten overweegt de rechtbank dat op grond artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb voor een partij of een belanghebbende in verband met gemaakte verletkosten een tarief wordt vastgesteld dat afhankelijk van de omstandigheden ligt tussen € 7,00 en € 78,00 per uur. Eiser heeft de verzochte verletkosten onderbouwd met een loonstrook die hij als bijlage bij het formulier proceskosten heeft gevoegd. De rechtbank stelt de verletkosten vast op € 207,20.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
-
herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
-
stelt het boetebedrag vast op € 1.125,-;
-
bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan eiser € 174,- aan griffierecht vergoedt;
-
veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 313,60.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 januari 2021.
Griffier rechter
De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Bijlage: wettelijke bepalingen
Artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren: In een werkgebied dat ingevolge artikel 3.3, eerste lid, is vastgesteld, geeft de houder van ingevolge artikel 3.3, eerste lid, aangewezen dierlijke bijproducten dit materiaal aan bij, houdt het ter beschikking van, en staat het af aan, de ondernemer binnen wiens werkgebied het materiaal zich bevindt.
Artikel 8.7 van de Wet dieren: Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid, van de Wet dieren: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
a. categorie 1: € 500;
b. categorie 2: € 1.500;
c. categorie 3: € 2.500;
d. categorie 4: € 5.000;
e. categorie 5: € 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet.
Artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Artikel 2.4 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien een overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt het voor die overtreding op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 op te leggen boetebedrag gehalveerd.
Artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren: Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren: De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren onder Wet dieren: overtreding van artikel 3.4, eerste lid, van de Wet dieren valt in boetecategorie 3.
Artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht: Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Regel 11, Specifiek Interventiebeleid IB02-SPEC33, Dierlijke bijproducten, versie 2, geldig van 20 juli 2015 tot 17 augustus 2020: bewust onttrekken (door begraving of verbanding ter plaatse verwijderd, of bewust achtergelaten op het perceel – sterke ontbinding) van kadavers (categorie 1- en 2-materiaal) aan voorgeschreven aangifte, overdracht (verwerking) wordt aangemerkt als een klasse B-overtreding vanwege een groot risico voor dier- en/of volksgezondheid en/of milieu, waarvoor de volgende interventies kunnen worden toegepast: rapport van bevindingen, corrigerende interventie (alsnog voorgeschreven verwerking), nalevingshulp.