ECLI:NL:RBZWB:2021:1830
public
2021-04-16T15:49:54
2021-04-15
Raad voor de Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2021-04-16
02/821039-18
Op tegenspraak
NL
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:1830
public
2021-04-15T15:28:43
2021-04-16
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RBZWB:2021:1830 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-04-2021 / 02/821039-18

Verdachte heeft in de periode van 1 mei 2018 tot en met 9 oktober 2018 te Roosendaal samen met anderen gedeald in hard- en soft-drugs.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821039-18

vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

raadsman mr. Van Rijsbergen, advocaat te Breda

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 april 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Vroombout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 mei 2018 tot en met 9 oktober 2018 met anderen heeft gedeald in hard- en sof-drugs.

3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte gebruik heeft gemaakt van dealnummers waarop hard- en softdrugs konden worden besteld en deze verdovende middelen vervolgens onder andere door verdachte zelf, werden afgeleverd op de afgesproken locaties en tijdstippen. Daarbij zijn voertuigen waargenomen die door verdachte en zijn medeverdachten werden gebruikt. Verdachte is, zo blijkt uit observaties, ook meerdere malen herkend als dealer en op de actiedag op 9 oktober 2018 werden meerdere deals waargenomen en werden bij afnemers ook verdovende middelen

aangetroffen. Op die dag werden bij verdachte een mobiele telefoon aangetroffen waarop dealberichten stonden en de officier van justitie heeft nog aangevoerd dat er ook meerdere getuigen zijn die verdachte hebben aangewezen als één van de dealers. Omdat verdachte samen met [medeverdachte 1] telkens gebruik heeft gemaakt van dealertelefoons en omdat werd waargenomen dat de bestelde verdovende middelen vervolgens óf door verdachte óf door één van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden afgeleverd, is de officier van justitie van mening dat verdachte de feiten in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gepleegd.

Ook de tenlastegelegde periode kan volgens de officier van justitie bewezen worden waarbij hij heeft gewezen op de dealertelefoons die op 9 oktober 2018 bij medeverdachte [medeverdachte 1] werden aangetroffen, waarin dealberichten stonden van jaren daarvoor. In dat verband heeft de officier van justitie meer in het bijzonder nog gewezen op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , waaruit blijkt dat onder anderen door verdachte begin april 2018 al werd gedeald aan de Molenstraat in Roosendaal.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat in het dossier geen steunbewijs aanwezig is voor de verklaring van de getuige [getuige 3] , die verdachte als een van de dealers heeft aangewezen. Er zijn wel vage berichtjes die zouden kunnen duiden op dealen, maar volgens de verdediging blijkt nergens uit dat verdachte gebruiker van de desbetreffende telefoon was. Bij die stand van zaken doet zich in de visie van de verdediging de situatie van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering voor en moet verdachte van het dealen van hard-drugs worden vrijgesproken.

De verdediging heeft daar nog aan toegevoegd dat de bij de ouders van verdachte aangetroffen cocaïne, die slechts indicatief is getest, van de broer van verdachte was en voor eigen gebruik was.

Tot slot heeft de verdediging nog aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen hooguit kan volgen dat verdachte maximaal een keer of twintig hennep/hasj heeft verkocht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit het strafdossier is gebleken dat op grond van ontvangen informatie begin 2018 een strafrechtelijk onderzoek is gestart naar de vermeende drugshandel door onder anderen verdachte [medeverdachte 1] in de wijk Langdonk te Roosendaal.

Getuige [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij vanaf 1 mei 2018 tot en met juli 2018 op meerdere momenten drugsdeals hebben waargenomen bij de woning aan de [adres] (woning getuige [getuige 3] ) te Roosendaal, waarbij mannen op een scooter drugs afleveren. Verdachte [medeverdachte 1] wordt daarbij herkend en ook wordt een dealer op een scooter waargenomen, met het kenteken [kenteken 1] , welke scooter op naam staat van verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] wordt ook door een verbalisant herkend. Ook wordt een VW Golf waargenomen, met het kenteken [kenteken 2] , welke auto verhuurd bleek te zijn aan verdachte [medeverdachte 1] . De verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] worden aan hun kleding en bijzondere kenmerken ook herkend op foto’s die van de drugsdeals zijn gemaakt. Voorts wordt gezien dat afleveringen worden gedaan op het adres [adres] te Roosendaal door een man die op een rode scooter met het kenteken [kenteken 3] reed, welke scooter op naam van [medeverdachte 2] staat.

Bij afleveringen werd voorts meerdere keren een Seat Leon met kenteken [kenteken 4] gezien, terwijl [medeverdachte 1] eerder in dit voertuig werd gecontroleerd. Ook werd gebruik gemaakt bij leveringen van een scooter van het merk Kymco, kenteken [kenteken 5] , welke scooter ook op naam van [medeverdachte 1] staat.

Uit het onderzoek werd een telefoonnummer getraceerd dat mogelijk werd gebruikt als dealnummer. Dit betrof het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en uit de analyse van de tapgegevens van dat telefoonnummer bleek dat met dat nummer afspraken werden gemaakt voor de aflevering van drugs. Verdachte [medeverdachte 1] is bij een controle op 28 augustus 2018 aangehouden en op dat moment bleek dat hij dat telefoonnummer in gebruik had en ook bij de zoeking op 9 oktober 2018 werd de telefoon met dat telefoonnummer aangetroffen in het cafetaria van de vader van [medeverdachte 1] , waar verdachte [medeverdachte 1] werkt.

Uit onderzoek van de inbellende nummers op het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , kwamen nog twee telefoonnummers naar boven die als zogenaamde deallijn konden worden aangemerkt. Dit betroffen de nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Uit de inhoud van de met voornoemde drie deallijnen gevoerde gesprekken, in combinatie met de verrichte observaties, konden de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] in verband worden gebracht met een groot aantal deals / transacties.

Daarnaast hebben de getuigen [getuige 4] en [getuige 3] nog verklaard dat zij het nummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [medeverdachte 1] , gebruikten om drugs te bestellen en zij hebben [medeverdachte 1] herkend als één van de dealers.

Ook heeft [getuige 3] verdachte [verdachte] herkend als één van de dealers en ook verdachte [medeverdachte 2] is door getuige [getuige 3] herkend.

Uit onderzoek van de gesprekken op telefoonnummer [telefoonnummer 1] is voorts vast komen te staan dat in de periode van 21 augustus 2018 tot 9 oktober 2018 2194 impulsen werden geconstateerd en 589 meer dan aannemelijke drugsgesprekken werden gevoerd, waarin onder andere een locatie en een tijdstip voor een ontmoeting werden genoemd. Kenmerkend daarbij is eveneens dat het initiatief voor een gesprek of berichtenuitwisseling vrijwel nooit kwam van telefoonnummer [telefoonnummer 1] maar uitging van anderen. Uit onderzoek van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] worden [medeverdachte 1] en [verdachte] geïdentificeerd als degene die gebruik maakten van dat telefoonnummer. Op deze deallijn werden 5029 impulsen geconstateerd en was er sprake van 1377 meer dan aannemelijke drugsgesprekken. Het initiatief voor een gesprek of berichtenuitwisseling kwam ook hier vrijwel nooit van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dit nummer te gebruiken om zijn drugs te bestellen en hij heeft [medeverdachte 1] herkend als dealer. De getuige [getuige 5] heeft ook verklaard dat hij zijn drugs op dit nummer bestelde en ook hij heeft [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] herkend als dealers.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder uit de combinatie van verrichte observaties en het bijhouden van tapgesprekken en berichten op deze twee lijnen, blijkt ook dat op verzoeken om levering van soft- of harddrugs met leveringen werd gereageerd. Deze leveringen zijn door de leden van het observatieteam ook waargenomen.

Voor wat betreft de derde deallijn met nummer [telefoonnummer 3] is vast komen te staan dat [medeverdachte 1] dat nummer in zijn bezit had bij zijn aanhouding. Deze telefoon werd onder andere een aantal malen gebruikt om het nummer van [medeverdachte 2] te bellen teneinde hem aan te sturen om naar een bepaalde locatie te gaan. Voorts werden 162 sms-berichten aangetroffen op de deallijn [telefoonnummer 3] . Van die gesprekken gingen er 79 over softdrugs, 37 over harddrugs en 94 over gewicht of aantallen.

Op 9 oktober 2018 – de actiedag – werd op tapgesprekken gehoord en tijdens observaties gezien dat afspraken werden gemaakt met vrachtwagenchauffeur [naam 1] , die van [medeverdachte 1] een halve gram cocaïne heeft gekocht en met een afnemer genaamd [naam 2] , die van [verdachte] 1,1 gram marihuana kocht. Beiden afnemers hebben verklaard dat zij al eerder op die manier bij verdachten verdovende middelen hadden gekocht.

Verdachte [medeverdachte 2] wordt die dag op de snorfiets van [verdachte] gezien en ook wordt gezien dat [medeverdachte 2] contact heeft met de bestuurder van een Mazda. Nadat [medeverdachte 2] wordt aangehouden door de politie wordt gezien dat de bestuurder van de Mazda twee gripzakjes met henneptoppen heeft weggegooid. Bij de fouillering van [medeverdachte 2] worden 8 gripzakjes met 2,5 gram cocaïne, 4 gripzakjes met 5,2 gram hasjiesj en 18 gripzakjes met 20,3 gram gedoogde henneptoppen aangetroffen.

Bij doorzoekingen in de woningen van [medeverdachte 1] en [verdachte] worden kleine en grote hoeveelheden soft- en harddrugs aangetroffen, een flink aantal mobiele telefoons en grote hoeveelheden geld.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen in de tenlastegelegde periode heeft gedeald in hard- en soft-drugs. De rechtbank overweegt daarbij dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Dat sprake is van medeplegen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan uit de wijze waarop verdachten met elkaar via de telefoon communiceerden, uit het gezamenlijk gebruik dat van de deallijnen werd gemaakt, uit de omstandigheid dat de op die lijnen bestelde drugs afwisselend door verdachte, één van zijn medeverdachten, soms gezamenlijk en ook door anderen werden afgeleverd, en uit de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachten door gebruikers ook worden herkend als dealers die na contact met de deallijn de bestelling kwamen afleveren. Op grond daarvan is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat het dealen in harddrugs niet bewezen kan worden omdat de aangetroffen stoffen slechts indicatief zijn getest, is de rechtbank van oordeel dat ook uit de bewijsmiddelen genoegzaam vast is komen te staan dat door verdachten cocaïne werd geleverd. Uit de telefoongesprekken blijkt immers dat telkens door de afnemers/gebruikers cocaïne werd besteld, dat er in de telefoongesprekken over cocaïne werd gesproken en dat de afnemers/gebruikers ook bij verdachten terugkwamen om opnieuw cocaïne te bestellen. Ook zonder dat bij elke transactie NFI-onderzoek is verricht, kan naar het oordeel van de rechtbank daarmee genoegzaam worden vastgesteld dat het om cocaïne ging. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat naast de indicatieve tests die werden uitgevoerd, er ook door het NFI onderzoek is gedaan naar bij medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen witte poeder. Uit dit onderzoek van het NFI bleek dat dit cocaïne was. Nu [medeverdachte 2] naar het oordeel van de rechtbank als mededader kan worden aangemerkt en door [medeverdachte 1] en [verdachte] op pad werd gestuurd om drugs af te leveren, dragen ook deze NFI-bevindingen bij aan het oordeel van de rechtbank dat het bij de stoffen die door verdachte en zijn mededaders zijn verhandeld (onder meer) ging om cocaïne, zoals vermeld op lijst I van de Opiumwet.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 mei 2018 tot en met 9 oktober 2018 te Roosendaal, tezamen en in

vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde die

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 1 mei 2018 tot en met 9 oktober 2018 te Roosendaal, tezamen en in

vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel

van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 186 dagen, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de documentatie van verdachte zich beperkt tot twee opgelegde geldboetes. Voorts is aangevoerd dat de redelijke termijn in deze zaak, zonder aanleiding, met ruim vijf maanden is overschreven wat moet dienen tot matiging van de op te leggen straf. Gezien het beperkt aantal keren dat verdachte soft-drugs heeft verkocht, is de verdediging van mening dat kan worden volstaan met een straf die gelijk is aan het voorarrest, eventueel aan te vullen met een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in de periode van 1 mei 2018 tot 9 oktober 2018 samen met anderen op behoorlijk grote schaal en in georganiseerd verband gedeald in hard- en soft-drugs in Roosendaal. Verdachte was op een aantal dealertelefoons bereikbaar waar bestellingen voor die verdovende middelen konden worden geplaatst. Vervolgens werd een tijd en plaats

afgesproken en werden de verdovende middelen door verdachte of door een van zijn medeverdachten bezorgd. Door deze verkoop van soft- en harddrugs in de wijk Langdonk te Roosendaal, is verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van die verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is ook van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en dat zowel soft- als hard-drugs schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien en dat het dealen van verdovende middelen overlast met zich meebrengt. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen kennelijk niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Deze nadelige effecten zijn ook de reden dat op het dealen van hard- en softdrugs forse straffen zijn gesteld en op grond van de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken zou alleen al voor het dealen van de hard-drugs gedurende de bewezenverklaarde periode een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 8 maanden passend en geboden zijn. Daar komt dan nog bij dat door verdachte en zijn medeverdachten in die periode ook werd gedeald in soft-drugs en uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest. Nu voor het overige met betrekking tot de persoon van verdachte weinig bekend is geworden waarmee de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening zou moeten houden, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden een passende straf is die ook recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is echter ook met de verdediging van oordeel dat deze straf dient te worden gematigd omdat de rechtbank heeft kunnen constateren dat de strafzaak tegen verdachte onnodig lang is blijven liggen en dat er daarom sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 5 maanden. De rechtbank zal daarom van de gevangenisstraf die zij passend vindt, twee maanden voorwaardelijk opleggen. Verdachte wordt hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn en de rechtbank hoopt tevens dat deze voorwaardelijke straf verdachte ervan zal weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank acht het wel noodzakelijk een zwaardere staf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat – naast hetgeen omtrent de ernst van de feiten is overwogen - naar het oordeel van de rechtbank uit niets is gebleken dat verdachte doordrongen is van de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten en ook de behandeling van zijn strafzaak hem onberoerd lijkt te laten.

7Het beslag

7.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de scooter Kymco, kenteken [kenteken 1] niet vatbaar is voor verbeurdverklaring omdat verdachte niet wist wat [medeverdachte 2] met die scooter ging doen. De verdediging heeft aangevoerd dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is indien verdachte op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 2] strafbare feiten zou plegen met die scooter. Ook is volgens de verdediging niet gebleken dat verdachte deze scooter heeft gebruikt om te dealen.

De Opel Astra, kenteken [kenteken 6] staat op naam van de zus van verdachte en is ook haar eigendom. Zij was volgens de verdediging niet op de hoogte van eventueel met het voertuig gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft daarom verzocht om de vervreemdingsopbrengst te retourneren aan de rechthebbende, te weten mevrouw [naam 3] .

Het geldbedrag van € 7.850,= en een imitatie Rolex behoren volgens de verdediging in eigendom toe aan de broer van verdachte, te weten aan [naam 4] .

7.2

Het oordeel van de rechtbank

7.2.1

De verbeurdverklaring

De onder 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde in beslag genomen mobiele telefoon, merk Nokia 105 is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze telefoon aan verdachte toebehoorde en de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van die telefoon.

7.2.2

De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de vervreemdingsopbrengst van de Opel Astra, kenteken [kenteken 6] aan de rechthebbende, te weten mevrouw [naam 3] en van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte dan wel aan de rechthebbende, te weten de broer van verdachte, genaamd [naam 4] .

8De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 10, te weten een mobiele telefoon, merk Nokia 105;

- gelast de teruggave van de vervreemdingsopbrengst van de Opel Astra, kenteken [kenteken 6] , te retourneren aan de rechthebbende, te weten mevrouw [naam 3] .

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerpen dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 12;

- gelast de teruggave aan de broer van verdachte, genaamd [naam 4] van de geldbedragen die staan op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst, genummerd 2, 3a, 3b, 4, 5, 8 en 9 en van het imitatie horloge, kleur zilver, merk Rolex;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2021.

Mr. Felix en mr. Kempen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

10Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot

en met 9 oktober 2018 te Roosendaal en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer

gebruikershoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde die

cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot

en met 9 oktober 2018 te Roosendaal en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer

gebruikershoeveelheid/heden hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel

van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd) (telkens) een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet