De vordering van de officier van justitie wordt afgewezen, nu betrokkene in de hoofdzaak integraal is vrijgesproken
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/058908-18
vonnis van de rechtbank d.d. 29 april 2021
in de ontnemingszaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te ‘s-Hertogenbosch
1De procedure
Betrokkene is op 29 april 2021 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van de haar tenlastegelegde diefstal dan wel heling.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2021, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd.
2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven de vordering niet meer te handhaven.
3Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te onderbouwen. Het verzoek is om een eventueel te ontnemen bedrag op € 0,- te stellen dan wel de vordering af te wijzen.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft betrokkene integraal vrijgesproken van wat haar verweten werd. Om die reden zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen.
5De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 17 maart 2021, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Broeders, voorzitter, mr. Janssen en mr. Ides Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Tafazzul en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2021.