Schorsen geldigheid rijbewijs
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/10182 WVW VV
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 februari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verzoeker,
en
[naam belanghebbende], te [woonplaats belanghebbende], belanghebbende.
Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2020 heeft het CBR aan belanghebbende meegedeeld dat hij een onderzoek dient te ondergaan naar zijn drugsgebruik en dat de geldigheid van zijn rijbewijs in afwachting van de uitslag van dit onderzoek wordt geschorst.
Bij bestreden besluit van 11 september 2020 heeft het CBR het bezwaar van belanghebbende hiertegen (kennelijk) ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter heeft op 25 september 2020 bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 11 september 2020 geschorst voor zover het betreft de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs, tot het moment waarop het CBR een besluit heeft genomen over de resultaten van het onderzoek naar de rijgeschiktheid van verzoeker, en het CBR opgedragen onmiddellijk het rijbewijs aan belanghebbende terug te geven. Daarnaast is het beroep ongegrond verklaard.
Het CBR is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 3 december 2020 uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter van de AbRS heeft zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep kennis te nemen en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Vervolgens heeft het CBR op 14 december 2020 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot opheffing van de getroffen voorlopige voorziening.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 februari 2021. Belanghebbende is verschenen. Namens het CBR heeft mr. S. Sheikchote via Skype aan de zitting deelgenomen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
Met de voorzieningenrechter van de AbRS en het CBR stelt de voorzieningenrechter vast dat het verzoek tot het opheffen van de voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de getroffen voorlopige voorziening niet in overeenstemming is met het oordeel in de hoofdzaak dat het beroep ongegrond is.
Dit betekent dat de geldigheid van het rijbewijs van belanghebbende weer is geschorst en dat belanghebbende zijn rijbewijs moet opsturen naar het CBR.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- heft de op 25 september 2020 in de procedure met zaaknummer BRE 20/8317 WVW VV getroffen voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang op.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 1 februari 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.