ECLI:NL:RVS:2021:213
public
2021-02-03T10:31:53
2021-02-03
Raad voor de Rechtspraak
Raad van State
2021-02-03
201908760/2/A3
Hoger beroep
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:213
public
2021-02-03T10:16:02
2021-02-03
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RVS:2021:213 Raad van State , 03-02-2021 / 201908760/2/A3

Bij tussenuitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1987, heeft de Afdeling de minister voor Rechtsbescherming opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de minister van 30 november 2018 te herstellen. Bij besluit van 30 november 2018 heeft de minister zijn besluit van 14 september 2018, tot toewijzing van de aanvraag van [belanghebbende] om wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige zoon van [belanghebbende] en [appellante] van [naam appellante] in [naam belanghebbende], gehandhaafd. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister zich daarbij met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval is voldaan aan het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van het Besluit geslachtsnaamswijziging.

201908760/2/A3.

Datum uitspraak: 3 februari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2019 in zaak nr. 19/201 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1987, heeft de Afdeling de minister opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de minister van 30 november 2018 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Op 30 oktober 2020 heeft de minister ter uitvoering van deze tussenuitspraak het besluit van 30 november 2018 nader gemotiveerd.

[appellante] is in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

[belanghebbende] heeft als derde-belanghebbende een zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Juridisch toetsingskader

1.    Het juridisch toetsingskader is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Tussenuitspraak

2.    Bij besluit van 30 november 2018 heeft de minister zijn besluit van 14 september 2018, tot toewijzing van de aanvraag van [belanghebbende] om wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige zoon van [belanghebbende] en [appellante] (hierna: het kind), van [naam appellante] in [naam belanghebbende], gehandhaafd.

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister zich daarbij met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval is voldaan aan het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van het Besluit geslachtsnaamswijziging.

Volgens de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraken van 9 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY5895 en 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0753) betekent dit weliswaar dat geen verplichting bestaat het verzoek om geslachtsnaamswijziging af te wijzen, maar niet dat de minister daarom is gehouden het verzoek om geslachtsnaamswijziging in te willigen. Wanneer de minderjarige van twaalf jaar of ouder ondanks de weigering van een ouder om met de verzochte geslachtsnaamswijziging in te stemmen, bij zijn instemming met dat verzoek blijft, dan kan de minister het verzoek krachtens de in artikel 7, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde bevoegdheid inwilligen. Bij het nemen van een beslissing om van deze mogelijkheid gebruik te maken, dient de minister alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen, zoals de door [appellante] geuite zorgen dat door de geslachtsnaamswijziging de identiteitsontwikkeling van het kind wordt geschaad en hij van haar zal vervreemden, in aanmerking te nemen. Gelet hierop berust het standpunt van de minister dat hij was gehouden de aanvraag om geslachtsnaamswijziging in te willigen op een onjuiste uitleg van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van het Besluit geslachtsnaamswijziging. Het besluit van 30 november 2018 is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De Afdeling heeft de minister opgedragen om binnen 12 weken het gebrek in het besluit te herstellen.

Nadere motivering

3.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister bij brief van 30 oktober 2020 gemotiveerd dat en waarom hij van mening is dat het belang van het kind bij de geslachtsnaamswijziging zwaarder weegt dan de bezwaren daartegen van [appellante].

4.    [appellante] heeft naar aanleiding van deze nadere motivering van de minister geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellante] hiertegen geen bezwaren heeft. [belanghebbende] heeft schriftelijk meegedeeld dat de nadere motivering van de minister goed weergeeft waarom de geslachtsnaamswijziging voor het kind van belang is. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de door de minister gegeven nadere motivering van het besluit van 30 november 2018 niet toereikend is.

Conclusie

5.    Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellante] gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 30 november 2018 gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking omdat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

6.    Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de minister heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. De Afdeling ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 30 november 2018 in stand te laten.

7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen,

is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2019 in zaak nr. 19/201;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister voor Rechtsbescherming van 30 november 2018, kenmerk NM 183/1311;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

VI.    gelast dat de minister voor Rechtsbescherming aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2021

598.

 

BIJLAGE

 

Burgerlijk Wetboek

Boek 1

Artikel 7

1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

[-]

5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

[-]

Besluit geslachtsnaamswijziging

Artikel 3

1. Op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, wordt de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd:

a. in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed;

[-]

4. Het verzoek wordt afgewezen, indien:

[-]

c. een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij deze minderjarige bij zijn instemming blijft;

[-]