ECLI:NL:RVS:2021:242
public
2021-02-17T10:32:28
2021-02-09
Raad voor de Rechtspraak
Raad van State
2021-02-09
202004296/1/V1
Hoger beroep
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2021:242
public
2021-02-09T08:52:54
2021-02-17
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:RVS:2021:242 Raad van State , 09-02-2021 / 202004296/1/V1

Bij besluit van 14 mei 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

202004296/1/V1.

Datum uitspraak: 9 februari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 juli 2020 in zaak nr. NL20.11007 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 28 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Lucassen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Bij brief van 21 september 2020 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 14 mei 2020 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling bij brief van 7 oktober 2020 laten weten dat zij het hoger beroep niet intrekt, omdat zij haar verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten, handhaaft.

2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De vreemdeling heeft namelijk onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat zij heeft bereikt wat zij met haar hoger beroep beoogt doordat de staatssecretaris haar asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen.

3.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, volgt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden wanneer hij als gevolg van tijdsverloop de behandeling van de asielaanvraag alsnog in behandeling neemt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Verbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2021

154-927.