Bij uitspraak van 31 juli 2020, in zaak nr. 202002752/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak na vereenvoudigde behandeling het beroep van PVT tegen het niet tijdig vaststellen van een luchthavenbesluit voor de luchthaven Teuge door provinciale staten van Gelderland niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.
202002752/2/R1.
Datum uitspraak: 14 januari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
de vereniging Platform Vlieghinder Teuge (hierna: PVT), gevestigd te Teuge, gemeente Voorst,
opposante,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2020 in zaak nr. 202002752/1.
Procesverloop
Bij uitspraak van 31 juli 2020, in zaak nr. 202002752/1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van PVT tegen het niet tijdig vaststellen van een luchthavenbesluit voor de luchthaven Teuge door provinciale staten van Gelderland niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft PVT verzet gedaan.
De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 9 december 2020, waar PVT, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, advocaat te Deventer, [gemachtigde A] en [gemachtigde B], is verschenen.
Overwegingen
1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
2. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, gaat uitsluitend over de vraag of de Afdeling ten onrechte tot behandeling zonder zitting is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van PVT. Dit betekent dat de beoordeling van de Afdeling in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder PVT op zitting te horen. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat omtrent de uitkomst. Zo ja, dan dient de verzetrechter het verzet gegrond te verklaren opdat nader onderzoek kan plaatsvinden.
3. In de uitspraak van 31 juli 2020 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3530, het beroep van PVT niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet mogelijk is tegen het niet tijdig vaststellen van een luchthavenbesluit in de zin van artikel 8.43, eerste lid, van de Wet luchtvaart op de voet van de artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb op te komen zonder daartoe een aanvraag in te dienen. Nu vaststaat dat PVT geen aanvraag heeft ingediend waarover provinciale staten een besluit hadden moeten nemen, en ook anderszins - met uitzondering van die van artikel XIII van de RBML - geen beslistermijn is verstreken, waren provinciale staten niet in gebreke om tijdig een luchthavenbesluit te nemen. De Afdeling oordeelde dat het enkele feit dat provinciale staten de actualiseringstermijn hebben overschreden niet met zich brengt dat beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in de artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.
4. PVT bestrijdt in verzet het op de uitspraak van 18 november 2015 gebaseerde oordeel van de Afdeling dat voor het kunnen zijn van belanghebbende bij het niet tijdig nemen van een besluit een aanvraag moet zijn ingediend. Uit de artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt de verplichting dat eerst een aanvraag om een besluit te nemen moet worden ingediend, voordat een ontvankelijk beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig vaststellen van dit besluit bij overschrijding van een in de wet opgenomen beslistermijn. PVT wijst op de noot van A.G.A. Nijmeijer bij deze uitspraak in AB 2015, 449, onder 2. Deze uitspraak is voorts niet van toepassing op de situatie van PVT. Uit de memorie van toelichting op artikel XIII, eerste lid, van de RBML (Kamerstukken II 2005/06, 30 452, nr. 3, bladzijden 59, 60 en 112) en de toelichting bij de tijdelijke Omzettingsregeling van 1 januari 2011 (Stcrt. 2010, nr. 20764) vloeit voort dat provinciale staten op grond van artikel XIII, eerste lid, van de RBML uiterlijk op 1 november 2014 ambtshalve een luchthavenbesluit moesten hebben vastgesteld zonder dat daarvoor eerst een aanvraag had moeten zijn ingediend. De uitspraak van 31 juli 2020 leidt ertoe dat aan PVT, ondanks haar jarenlange overleg met provinciale staten over dit onderwerp, geen mogelijkheid wordt geboden om te bewerkstelligen dat een luchthavenbesluit wordt vastgesteld door provinciale staten. Aan PVT staan, uitgaande van de uitspraak van 31 juli 2020, dus geen rechtsmiddelen open tegen het in strijd met de Wet luchtvaart exploiteren van de luchthaven. Ter zitting heeft PVT de voor haar onwenselijke gevolgen van de uitspraak van 31 juli 2020 verduidelijkt, door te betogen dat zij - gelet op haar statuten - weliswaar geen belanghebbende is waar het gaat om de mogelijkheid een aanvraag om vaststelling van een luchthavenbesluit in te dienen als bedoeld in artikel 8:3, derde lid, van de Awb, maar wel als belanghebbende een ontvankelijk beroep kan instellen tegen een vastgesteld luchthavenbesluit. Volgens haar zou die mogelijkheid daarom ook moeten bestaan ten aanzien van het niet tijdig nemen van een luchthavenbesluit. Op het vaststellen van een dergelijk besluit bestaat voor PVT echter nog geen zicht omdat provinciale staten de wettelijke beslistermijn van zes maanden van artikel 3:18, eerste lid gelezen in samenhang met artikel 4:15 van de Awb, op het daartoe strekkende verzoek van N.V. Luchthaven Teuge van 22 mei 2020 op 15 juli 2020 hebben verlengd met nog eens zes maanden.
5. Dit betoog slaagt. In de uitspraak van 18 november 2015 betrof het overschrijding van de in artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Invoeringswet Wro), in samenhang met artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, genoemde termijn. De Afdeling overwoog in dat verband dat de wetgever aldus in een specifieke regeling heeft voorzien voor de gevallen waarin de in artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro genoemde termijnen worden overschreden. In de situatie van PVT ligt dit anders. In het geval van artikel XIII, eerste lid, van de RBML kan van een dergelijke specifieke regeling niet worden gesproken. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten van PVT stelt zij zich ten doel in de ruimste zin van het woord het behartigen van de belangen van natuurlijke en rechtspersonen die hinder ondervinden van het vliegverkeer van en naar vliegveld Teuge en/of van de activiteiten die zich op of rond het vliegveld afspelen om daarmee te bewerkstelligen dat het woon- en leefklimaat gehandhaafd wordt dan wel verbeterd wordt, rekening houdend met mens, dier, natuur en milieu. Gelet hierop staat vast dat PVT niet als belanghebbende een aanvraag in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kan indienen voor een vergunning tot het exploiteren van een luchthaven, maar wel belanghebbende is bij een beroep tegen een luchthavenbesluit. Nu provinciale staten, zoals de Afdeling dit betoog van PVT begrijpt, geen haast maakt met het vaststellen van een luchthavenbesluit, blijft de voor PVT onaanvaardbare situatie rond het vliegveld Teuge voortduren. Anders dan in de uitspraak waarvan verzet, is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van de voor de toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereiste kennelijkheid.
6. Het verzet is gegrond, waaruit volgt dat de uitspraak van 31 juli 2020 is vervallen. De Afdeling zal het onderzoek in meervoudige samenstelling voortzetten in de stand waarin het zich bevond. De Afdeling ziet aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van PVT op de hierna te vermelden wijze.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het verzet gegrond;
II. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan de vereniging Platform Vlieghinder Teuge de in verband met de behandeling van het verzet opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Michiels w.g. Klingers
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2021
195-209.
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
Titel 1.1 Definities en reikwijdte
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[…]
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
[…]
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Titel 8.2 Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Artikel 8:55
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.
[…]
4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.